dinsdag 11 oktober 2011

Proloog

Middernacht. Een eindeloze stroom aan regen. Een eindeloze stroom aan gedachtes. De ergernissen van een slapeloze nacht. Voor mij de normaalste zaak van de wereld. De stemmen in mijn hoofd zijn tijdens nachten als deze niet stil te krijgen. De fluisteringen, de rillingen en de gezichten die voor mijn ogen dansen. Vanaf het moment dat mijn herinneringen beginnen, heb ik ze al. Ze zijn voor mij realiteit, ik zou niet zonder ze kunnen. Ze zijn mijn vrienden, mijn vijanden en mijn familie. Ik ben anders.
Anders dan de rest van mijn leeftijdsgenoten. Altijd al geweest, dat hoeft niet niemand mij nog te vertellen. Ik staar naar het plafond, waar ik een zee aan glow-in-the-darksterren op heb geplakt. Het gebeurt niet vaak, die stormachtige nachten.
New Mexico is nou niet bepaald een plaats voor stormen, vaak is het hier droog en warm, slechts een paar keer per maand regent het, vaak voor een paar uurtjes en dan is het weer droog. Je zou kunnen zeggen dat ik in een dorp woon dat omringd is door een zandbak, ook niet altijd een lolletje.
De meeste mensen praten hier Engels en New Mexican Spanish, een geinig dialect dat eeuwen geleden is ontstaan. Ik spreek het niet, maar dat maakt niet zoveel uit. Spaans is hier wel de meest belangrijke tweede taal op school, vooral omdat veel leerlingen uit Mexico komen of Spaanse voorouders hebben. Wij zijn één van de weinige families in Reserve die een Engelse achternaam hebben; Jones. Ik heb vast wel Spaanse voorouders, maar dat komt dan uit een heel ver verleden.
Ik draai me nog eens om en dommel eindelijk weg, maar goed slapen doe ik niet. 

“Kom, Valerie, kom!” een bekende stem roept me, de persoon staat nog geen tien meter bij mij vandaan. Ik herken hem, hij is nieuw in Reserve, komt uit Europa ofzo. Ik zit naast hem met Engels, het gevolg van een iets te gezellige conversatie met Sofia, mijn soulmate op school, de enige die mij begrijpt. De enige van mijn soort, letterlijk. Ik twijfel. Kan ik hem vertrouwen? Is hij überhaupt wel wie hij zegt te zijn? Hij zegt altijd maar, dat hij is zoals ik. Één van mijn soort. Maar wat is mijn soort dan? Ik ben toch zeker een mens, net als ieder ander. Ik val wat buiten de boot, maar ik ben niet een apart soort, voor zover ik kan zien dan. Ik besluit hem te volgen. Het kan waarschijnlijk geen kwaad en anders is het mijn eigen domme fout.
“Waar gaan we heen?” roep ik terug. De wind wakkert aan en maakt een normaal gesprek onmogelijk. Hij lacht.
“Dat zie je nog wel” roept hij weer terug. Ik volg hem. Zijn korte, zwarte haren zijn onbewegelijk in de heftige wind, in tegenstelling tot de mijne, die alle kanten op gaan. ‘Coupe du vent’ zoals James, mijn vader, het altijd zegt. We stoppen voor een kruispunt. De weg splitst zich hier in tweeën. Gaan we rechts of links? Vraag ik in mijn hoofd af. Ik ken deze omgeving niet, maar ik kan zo zien dat het niet in de buurt van Reserve ligt. Dat is één ding wat zeker is. De lucht is daar veel te vochtig voor. “Kies maar” zegt hij. Hij draait zijn gezicht naar me toe, zijn ijskoude blauwe ogen doorboren de mijne. Alsof ze achter de muur kijken die ik heb opgetrokken in de tijd dat we naar het kruispunt liepen.
“Rechts” zeg ik bijna meteen.
“Je bent erg zeker van je zaak” Ik knik. Ik ga altijd voor rechts. Er is 50% kans dat ik het goed heb en hetzelfde geld voor links. Dus het maakt eigenlijk niet uit welke kant ik kies, de kans blijft hetzelfde. “Je bent een gevaar voor jezelf, Valerie” zegt hij en slaat rechtsaf. Ik blijf hem volgen, ook al lopen de rillingen inmiddels over mijn lijf. Wat bedoeld hij daarmee. Een griezelige mist klampt zich vast aan mijn voeten en ik realiseer me dat ik een vreselijke fout heb gemaakt. Ik had nooit mee moeten gaan.

1 opmerking: